De Nederlandse ggz kampt met ellenlange wachtlijsten, waardoor patiënten soms maandenlang dienen te wachten op gespecialiseerde hulp. Maar hoe komt het dat er zoveel psychisch lijdende mensen bij de ggz aankloppen? Om een betere kijk op de huidige situatie te krijgen, bespraken we deze zorgwekkende toestand uitgebreid met Jim van Os, herstelgericht psychiater en hoogleraar psychiatrische epidemiologie aan het UMC Utrecht.
Laten we even teruggaan naar het begin van uw carrière. Waarom koos u voor een loopbaan als psychiater?
Ik stam uit een medische familie en kreeg zodoende interesse in de geneeskunde. Mijn vader was gynaecoloog en na de scheiding van mijn ouders kreeg mijn moeder een relatie met Jan Hendrik van den Berg, een bekend Nederlands psychiater. Hij was een interessante man die met een theologische en cultuurfilosofische bril naar de psychiatrie keek. Ik vond zijn benadering zeer boeiend.
Daarnaast zit er veel mentale variatie in mijn familie. Mijn vader heeft in het Jappenkamp gezeten en heeft daar gevolgen aan overgehouden. Bovendien hebben mijn zoon en nicht een traject binnen de psychiatrische zorg afgelegd. Die factoren hebben allen meegespeeld in mijn interesse in de geneeskunde, en mijn zoektocht gevoed om binnen de geneeskunde het meest interessante vakgebied te vinden.
Zodoende kwam ik bij de psychiatrie terecht. Een vak dat enorme uitdagingen inhoudt. Want wat is nou überhaupt het psychische, of wat is bewustzijn? En wat is psychisch lijden en welke relatie bestaat er met de omgeving of met de politiek? Mental health is political, kopte een artikel in de New York Times een tijd terug. Dat is zeer terecht, want psychisch lijden is deels zeker het gevolg van bestuurlijke beslissingen.

Jim van Os en Myrrhe van Spronsen. We zijn God niet. Pleidooi voor een nieuwe psychiatrie van samenwerking voor een nieuwe psychiatrie. LannooCampus. 2021.
U pleit in het boek We zijn God niet voor een nieuwe psychiatrie. Waar liep u tegenaan waardoor u besefte dat er verandering nodig was?
Zeer veel. Door in verschillende landen en werelddelen te werken, stelde ik vast dat het verhaal dat door psychologen, psychiaters en academische stromingen over de psychiatrie werd verteld in elk land verschilde. Het is niet zozeer een wetenschappelijk objectief verhaal, maar een cultureel ingevuld verhaal dat veel niet-weten verhult.
Mijn eerste artikel in 1993, in het British Medical Journal, heette Schizophrenia sans frontières. Ik werkte zowel in Frankrijk als in Engeland en ontdekte gaandeweg dat de psychiaters en psychologen uit de twee landen totaal verschillende concepten hadden voor het syndroom schizofrenie. Hun criteria voor de oorzaak, de symptomen, de diagnose, de behandeling en de prognose verschilden. Dat vond ik een zeer opmerkelijke vaststelling.
Daarnaast kwam ik geleidelijk aan in aanraking met de verhalen van ervaringsdeskundigen. Door hen ging ik anders naar psychisch lijden kijken. Tijdens onderzoeken vertelden ze me: “Jullie onderzoeken vooral ons brein en onze genen, maar onze verhalen die over trauma, armoede en uitsluiting gaan, laten jullie koud”. Toen besloot ik om samen met hen de epistemische verwarring binnen de psychiatrie en de inrichting van de ggz te analyseren. Nog later was ik getuige van het traject dat mijn nicht en nadien mijn zoon doorheen de psychiatrie maakten.
Toen ik die verschillende zaken op een rijtje zette, begreep ik dat het echte verhaal over het psychisch lijden, en hoe de maatschappelijke respons hierop zou moeten zijn, nog geschreven moest worden. Dat inzicht zorgde ervoor dat ik het geijkte wetenschappelijke pad, van publiceren en fondsen binnenhalen, verliet en het antwoord trachtte te vinden op de filosofisch-klinische vraag wat psychisch lijden is, en hoe de publieke geestelijke gezondheidszorg er zou moeten uitzien. Mijn kijk op het werkveld sluit aan bij de kritische psychiatrie, de Recovery Movement en de Hearing Voices Movement.
Welke belangen speelden er op de achtergrond toen u het geijkte pad vaarwel zei?
Er werd binnen de psychiatrie heel veel belang gehecht aan beroepsprestige, voornamelijk door het publiceren van artikelen in toonaangevende wetenschappelijke bladen. De farmaceutische industrie kende eveneens een zeer grote invloed op het vakgebied en de DSM werd beschouwd als de bijbel waarin de absolute waarheid te vinden was. De verschillende uitgaven legden de American Psychiatric Association geen windeieren.
Door mijn eigen weg te gaan, botste ik regelmatig tegen deze verschillende gevestigde belangen aan. Het beroepsprestige was daarbij het belangrijkst. Wanneer psychiaters en psychologen stellen dat ze evidence based te werk gaan, heb ik daar een probleem mee. Ik relativeer deze stelling en wijs erop dat er veel verhalen tussen hun verklaringen zitten die vooral het niet-weten van de psychiatrie verdoezelen.
De wetenschap is te weinig kritisch geworden en heeft geen plaats meer voor het debat. De psychiatrie is er steeds meer op gericht om het door haar geconstrueerde verhaal van breinziekte van bewijzen te voorzien. Dat is geen wetenschap. Wetenschap is proberen iets te ontkrachten, te falsificeren.
Het hele idee dat men vanuit een lineaire kwantitatieve wetenschap kwaliteiten als de mentale ruimte en psychisch lijden kan begrijpen is echter onjuist. Als er inmiddels één ding is aangetoond, dan is het wel dat geestesfenomenen niet gereduceerd kunnen worden tot lineaire wetenschappelijke uitkomsten in de trant van: gooi er een pil tegenaan en dan mag men zoveel percentage symptoomreductie bij een bepaalde patiëntengroep verwachten. Zo werkt het niet!
Toch blijft het snel diagnosticeren en er een pil tegenaan gooien de geprefereerde modus operandi. Bovendien gebeurt dit in de wetenschap dat er na veel en duur onderzoek voor geen enkele psychiatrische stoornis een biomarker gevonden is.
Absoluut, en dat is opnieuw een intrigerende vaststelling. Want in het verlengde ervan wordt de afwezigheid van biomarkers niet opgevat als een positieve vaststelling waar de psychiatrie rekening mee dient te houden. Men blijft vasthouden aan nog meer genetisch en biologisch onderzoek in de hoop uiteindelijk een biomarker te vinden.
Ik denk echter dat de wetenschappelijke waarheid ons in het gezicht vliegt. En dat is dat er geen biomarkers zijn. Vandaag zeggen dat antidepressiva een effectieve interventie vormen bij depressie, is wetenschappelijk gezien geen sterke uitspraak.
Is het dan niet opmerkelijk dat er vandaag zoveel psychotrope middelen voorgeschreven en verkocht worden?
Zeker, maar men moet dat breder zien. Vijf eeuwen geleden gebruikten artsen bloedzuigers als remedie bij sommige kwalen. Een doeltreffende behandeling vinden is steeds in het duister tasten, en in de marge van het niet-weten ontstaat een dominant verhaal waar de mensen zich naar voegen. Dit is hoe macht en autoriteit binnen de geneeskunde werken.
We weten dat de grote meerderheid van de mensen in het behandelverhaal van de arts meegaat, en dat artsen gemiddeld veel te weinig luisteren naar het verhaal van de patiënten. Bij oncologische of cardiovasculaire raadplegingen is dit niet anders. Alleen zijn we er in de psychiatrie nog niet achtergekomen wat psychisch lijden precies inhoudt. We hebben geen biomarkers om ons te leiden, en dat is toch wel een probleem. Maar begrijp me niet verkeerd. Psychisch lijden bestaat wel degelijk, alleen kunnen we het niet in medische termen vertalen.
Zou het opportuner zijn om op zoek te gaan naar maatschappelijke markers om de oorzaken van psychisch lijden te lokaliseren?
Er bestaan verschillende manieren van denken met betrekking tot psychisch lijden. Heel lang was in het Westen het dominante verhaal dat psychisch lijden het gevolg was van een stoornis in het hoofd en dat het probleem individueel behandeld diende te worden. Een andere manier van denken, die zo’n tachtig percent van de wereld volgt, maar die de westerse rijke landen grotendeels vooralsnog niet erkennen, stelt dat psychisch lijden een reactie op omgevingsfactoren is. Om het psychisch lijden te behandelen moet men dus de omgeving bij het behandelen betrekken.
Psychische gezondheid is met andere woorden evenzeer het resultaat van politieke besluiten. Want een groot gedeelte van psychisch lijden gaat over mensen die gemangeld zijn door discriminatie, trauma, bestaansonzekerheid, geweld en steeds meer existentiële factoren zoals eenzaamheid, zinloosheid en de eisen van de neoliberale samenleving, waarbij iedereen perfect moet zijn en succes een keuze is.
Mensen worden hier letterlijk ziek van, alleen moet men zich afvragen of ze echt ziek zijn of de kanariepieten in de koolmijn vertegenwoordigen. De jonge mensen die massaal klagen, zijn niet ziek of zwak. Ze geven aan dat ze zich in een onmogelijke omgeving moeten ontwikkelen en leven. Bovendien hebben ze een gevoelig affectief bewustzijn, zijn ze verbaler dan de babyboomers en zeggen ze duidelijk dat ze zich shit voelen in deze samenleving – en dat is zeer begrijpelijk.
Komt het er dan op neer dat een groot deel van het werk dat de psychiatrie voorgeschoteld krijgt het gevolg is van politiek-economische keuzes waarvoor de psychiatrie geen oplossingen heeft?
Inderdaad. Een individuele behandeling kan soms nodig zijn, maar deze moet steeds in afstemming zijn met de publieke benadering waarbij men inzet op preventie, de toxische omgeving gaat aanpakken en mensen collectief weerbaarder probeert te maken. Zorgprofessionals moeten leren denken vanuit de sociale benadering van de geestelijke gezondheid en niet vanuit de individuele biomedische benadering. Want die zorgt voor een enorme inflatie aan mensen met een DSM-diagnose.
Inmiddels heeft een kwart van de bevolking een diagnose gekregen. Hen wordt verteld dat ze allemaal in de rij moeten gaan staan om een individuele behandeling te krijgen, waardoor er enorme wachtlijsten ontstaan. Maar die mensen zijn voor het overgrote deel niet ziek. De psychiatrie is door de framing van stoornissen ongunstige sociale omstandigheden aan het medicaliseren, doch een sociale en politieke behandeling van de samenleving dringt zich op.
Hoe groot is de invloed van de farmaceutische industrie op de behandelwijze in de westerse landen?
Die was in het verleden groot. Duitse psychiaters uit de 19de eeuw vonden het veel prestigieuzer om de psychiatrie als vakgroep onder te brengen bij de geneeskunde dan bijvoorbeeld bij de sociale wetenschappen. Dat bracht mee dat men psychisch lijden door de hersenstoornisbril ging beschouwen. Hierdoor kreeg de psychiatrie meer prestige en veel meer fondsen.
De farmaceutische industrie rook geld en dook in de opkomende opportuniteit. Met haar middelen heeft ze enorme winsten gemaakt en de psychiaters sterk beïnvloed. Maar vandaag is de industrie niet meer zo actief in de sector omdat het bijna niets meer oplevert. Er worden vooral nog goedkope generieke middelen voorgeschreven. Daarenboven werden psychiaters geleidelijk aan kritischer. De beroepsgroep kent nu strengere richtlijnen rond de omgang met Big Pharma en nieuwe me too-middelen worden niet meer automatisch voorgeschreven.
DSM-labels blijven exponentieel toenemen. Veel jongeren identificeren zich ermee. Hoe kijkt u naar deze evolutie?
De jongeren gebruiken de labels om te praten over hun bewustzijn. Het is een soort van normalisering, niet van pathologisering en in die zin vind ik het niet problematisch. Aan de andere kant worden labels nog te veel gebruikt om een kolossale ggz-industrie in de lucht te houden waarbij psychologen, psychiaters en instellingen veel geld verdienen aan het diagnosticeren en behandelen van mensen.
Dit is de voortzetting van het medicaliseren van psychisch lijden waar we uiteindelijk van af moeten geraken. Want het DSM-verhaal met zijn meer dan 400 verschillende diagnoses is wetenschappelijk gezien achterhaald.
Inmiddels is het labelen bij andere beroepsgroepen, zoals leraars en pedagogen, sterk ingeburgerd geraakt. Schuilt hier gevaar in?
Zeker, maar het beroepsveld wordt steeds kritischer in Nederland. In de media verschijnen rapportages en krantenartikelen die het diagnosticeren een groot voodoo-gehalte toekennen en voor de nadelen waarschuwen. Want tegen een kind zeggen ‘je hebt een stoornis en die stoornis zit in je hoofd’, dat is een forse interventie in de identiteitsbeleving van dat kind. In feite stigmatiseert men het kind op dat moment.
Vervolgens zal het kind en zijn omgeving deze stigmatisering betrekken op zijn functioneren en vaak negatieve verwachtingen van zichzelf krijgen. We begrijpen dit mechanisme nu beter en proberen in de ggz voorzichtiger te zijn met het stellen van diagnoses.
Beïnvloeden psychofarmaca de hersenontwikkeling en identiteitsvorming van een kind of een jongere?
Zeker. Maar op de achtergrond blijven commerciële belangen de diagnose-inflatie aanwakkeren. Commerciële spelers stellen bijvoorbeeld dat volwassen vrouwen te weinig gediagnosticeerd worden met ADHD. Wanneer dit wel gebeurt, schieten de gespecialiseerde klinieken waar men tegen betaling terechtkan als paddenstoelen uit de grond. Men moet inzien dat achter het diagnosticeren een enorm verdienmodel schuilt en de samenleving zich daartegen hoort te beschermen.
De beroepskrachten binnen de ggz moeten leren denken in termen van diversiteit. Dit kan door de hulpvrager te benaderen met het idee dat ieder mens een combinatie van talenten en gevoeligheden bezit – en vervolgens samen op zoek gaan naar hoe iemand zich met zijn specifieke eigenschappen in zijn situatie staande kan houden.
Hoe vertaalt een psychiatrie van de samenwerking zich in de praktijk en krijgt ze voet aan de grond?
In verschillende Nederlandse regio’s zijn we bezig met de zorg te transformeren naar het model dat ik in We zijn God niet beschrijf. Het vertrekpunt is dat er veel verschillende manieren zijn om aan de mentale gezondheid te werken en dat iedere hulpvrager zelf moet uitmaken wat voor hem het beste werkt. Hiervoor moet hij kunnen experimenteren met verschillende mogelijkheden.
Daarnaast moeten de hulpvrager en hulpverlener met elkaar gaan samenwerken en elkaar als gelijkwaardige actoren gaan beschouwen. Indien men deze logica aanhoudt, komt men bij herstelacademies uit, volgens het herstelmodel van de ervaringsdeskundigheid, die evenwaardig zijn aan de technische ggz.
Herstelacademies bieden onder andere diergeleide, spirituele, lichaamsgerichte en bewegingsgerichte therapieën aan. Ze includeren fysiotherapeuten, buurtwerking, de kerk enzovoort. In de kern gaat het steeds over het aanbieden van menselijke betrokkenheid en holding, en het vinden van de motivatie bij de hulpvrager om in beweging te blijven of terug actief te worden.
Bovendien denken we dat het beter is om in groep te behandelen dan op individuele basis, al blijft individuele behandeling een mogelijkheid. Dat is veel democratischer en zo leert men van elkaar. De groepsmomenten worden wel begeleid door een professional en/of een ervaringsdeskundige.
Wanneer een depressief iemand dus geen medicijnen wil slikken, maar kiest voor een paardgeleide therapie, wandelgroep, mindfulness-sessies of lichaamsgerichte therapie, dan kan dat. Deze aanpak is even evidence based.
Er is dus geen medische reden om medicijnen breed voor te schrijven, ook omdat het onderliggende onderzoek vaak van slechte kwaliteit is. Antipsychotica zijn goed bij de acute fase van de psychose, maar nadien moet men ze weer afbouwen. Dat sommige mensen ze jarenlang blijven slikken, heeft nadelige gevolgen voor de gebruiker. Bij chronisch gebruik merken we dat het brein zich gaat aanpassen en dat mensen niet meer kunnen stoppen, of dat de gevoeligheid voor het middel vergroot en mensen oppositional tolerance ontwikkelen. Daar weten we vooralsnog niet veel van af, omdat onderzoek naar bijwerkingen door de farmaceutische industrie minder aandacht krijgt. Opvallende vaststelling hierbij is dat zorgverzekeraars taperingstrips, die de verantwoorde afbouw van medicijnen vergemakkelijken, maar met mondjesmaat terugbetalen.
In uw boek stelt u dat men het herstellend vermogen van de patiënt dient aan te spreken. Wat bedoelt u precies?
Dagelijks maken we kleinere en grotere minder leuke dingen mee. Hierdoor fluctueren onze emoties op en neer. Maar telkens wanneer we richting een dip gaan, herstelt onze beleving op een spontane manier. Hoewel dit herstellend vermogen zeer merkwaardig is, staan we er niet bij stil en vinden we het vanzelfsprekend. Tot men in een dip terechtkomt, daar blijft hangen en het herstel om een of andere reden uitblijft.
Mensen die dit ervaren krijgen een heel raar gevoel. Een gevoel dat er geen toekomst meer is en dat de dood zich als een reële oplossing presenteert. Toch blijkt dat, indien men naar het verhaal van deze mensen luistert en iemand hun lijden helpt dragen, men hen toch kan helpen bij het aanbieden van een perspectief of toekomstgevoel. En dan spelen de activiteiten die een herstelacademie aanreikt een belangrijke rol. Als de mensen de motivatie vinden om erbij aan te sluiten, dan is dat de eerste stap in het aanwakkeren van hun herstellend vermogen.
Wat is de volgende stap? Kan men deze kwetsbare mensen gewoon terug in de samenleving laten keren? Een samenleving die ze misschien als bedreigend ervaren of die de omstandigheden bevat die hen in de eerste plaats de das omdeed.
Uiteindelijk is mental health een onderdeel van public health. Dit wil zeggen dat we moeten werken aan een samenleving waarin ruimte is voor onze kwetsbare mensen. Het beste middel om samen gezond te blijven is verbinding. We moeten denken als een samenleving die veerkrachtig is door verbinding, zoals ze bijvoorbeeld in IJsland aantoonden.
Een tijd terug was de IJslandse jeugd er beroerd aan toe. Ze kende veel problemen met alcohol en andere drugs, depressie en eenzaamheid. De overheid zorgde er toen voor dat de jongeren makkelijker bij een teamsport of andere groepsactiviteit konden aansluiten, en dat ouders desgewenst op een laagdrempelige manier ondersteuning konden krijgen bij de opvoeding van hun kinderen. Het was een zeer basaal programma, niet psychiatrisch van insteek, maar een zuiver maatschappelijke benadering, dat mensen hielp in verbinding te komen met elkaar en de weerbaarheid van het individu en de samenleving diende te versterken.
Het bleek uiteindelijk een succesvol antwoord van de overheid, maar natuurlijk gebeurde dit op een kleine schaal. IJsland telt ongeveer driehonderdduizend inwoners. Op andere plaatsen ontwikkelen zich op lokaal niveau eveneens dergelijke initiatieven, ook in Nederland. De uitdaging bestaat erin om dit op het niveau van de samenleving te organiseren.
Zijn er in Nederland sociale ondernemers die zich engageren om dergelijke initiatieven mee vorm te geven?
Beetje bij beetje. Onlangs sprak ik met iemand uit Brabant die samen met patiënten een oude boerderij had opgeknapt tot een herstelboerderij. Nadien gebruikte men de plaats door er dagprogramma’s aan mensen in crisis te geven. Een fantastisch initiatief! Maar daar zat wel iemand achter die met zijn energie en visie de zaak vormgaf. Zulke initiatieven zouden er op landelijk niveau veel meer moeten zijn.
U stelt dat psychisch lijden in de communicatie voor degene die het ervaart en de buitenstaander twee moeilijkheden meebrengt. Enerzijds is het onzichtbaar, men ziet het bijna nooit aan de persoon in kwestie. Anderzijds is het niet-communiceerbaar. Psychisch lijden is moeilijk uit te leggen aan iemand die het niet ervaart of heeft ervaren.
Precies. Daarom moeten we een taal ontwikkelen op het niveau van de ervaring zelf. In We zijn God niet nam ik verschillende hoofdstukken op om de lezer psychisch lijden vanuit het perspectief van de ervaringsdeskundige te laten begrijpen. Bij psychisch lijden krijgt men het gevoel dat men op een onstopbare dwingende wijze in een tunnel vastzit en dat het toekomstperspectief helemaal wegvalt. En als het heel diep zit, krijgen sommigen er nog scheldende stemmen bovenop.
In het ervaringsmodel kunnen hulpvragers en hulpverleners de taal van de ervaringsdeskundigen gebruiken om het over psychisch lijden te hebben, zonder dat ze hoeven te vervallen in diagnoses om de problemen te verwoorden.
Noopt de werkelijkheid ons niet te stellen dat de dagelijkse werkelijkheid voor veel mensen toekomstperspectiefrovend is?
De laatste vijftig jaar zijn we in de val gelopen met betrekking tot de neoliberale principes van de vrije markt. Sindsdien vinden dat we de consumptieve welvaart collectief dienen na te streven. Dat hebben we gedaan op zo’n manier dat we nu volledig in de knel zitten.
Met name de jeugd ervaart dit. Jongeren zien de biodiversiteit afnemen, de polarisatie binnen de samenleving toenemen, ze hebben studieschulden, vinden geen betaalbare woning of goedbetaalde job. Als we deze koers handhaven, lijkt het erop dat er ten langen leste nog vijftig biljonairs zullen overblijven en dat de rest tot slaaf verworden is.
Uw kijk op de nieuwe ggz houdt een nivellering van de kenniswaarde van beroepskrachten en ervaringsdeskundigen in. Hoe makkelijk is dit voor de professional?
Het is nog steeds heel gewoon voor ervaren psychologen en psychiaters om te praten alsof hun theorie alles verklaart, dat ze precies weten wat ze moeten doen en dat hun ervaring telt. We hebben een enorme bias ten aanzien van onze eigen kennis en input.
Professionals moeten inzien dat ze het ook niet allemaal weten en zich veel bescheidener opstellen. Ze moeten meer luisteren naar degenen die tegenover hen zitten en werkelijk horen wat ze te zeggen hebben. Maar als men een hoofd vol concepten heeft over hoe de wereld in elkaar zit, dan gaat men wat men hoort aan de hand van deze concepten interpreteren.

Simona Karbouniaris en Jim van Os. Kopzorgen. Psychedelica begrijpen in 33 vragen. LannooCampus. 2025.
U schreef vorig jaar een boek over psychedelica. Denkt u dat ze een rol in de nieuwe ggz kunnen spelen?
Ja, mogelijk als één van de vele experimenten uit een zeer divers aanbod. Maar men moet wel bedenken dat ze chemisch zijn, wat betekent dat men opnieuw bij de industrie zou kunnen uitkomen, met haar commerciële belangen. Farmabedrijven kunnen ervoor gaan zorgen dat huisartsen en psychiaters het aan iedereen met een depressie gaan voorschrijven. Mocht dat gebeuren, leerden we niets uit onze recente geschiedenis.
Ik vraag me dus af of het werken met psychedelica via de artsen moet gebeuren. Waarom het niet overlaten aan deskundigen die een opleiding tot tripsitter genoten om dergelijke evenementen te organiseren en te begeleiden? Dat psychedelica in Nederland in de vorm van truffels legaal zijn, vergemakkelijkt deze denk- en werkwijze.
Maar daarnaast zijn er ook andere niet-chemische manieren om te trippen, zoals verbonden ademhaling, extreem dansen, muziek beluisteren of maken, meditatie enzovoorts. Er zijn dus een heleboel mogelijkheden om de werkelijkheid te ontstijgen en dat proberen therapeutisch te gebruiken. Maar met psychedelica is het wellicht makkelijker, men hoeft ze slechts in te nemen, waarna ze een zeer krachtige ervaring kunnen genereren.
Deze beleving kan ervoor zorgen dat iemand die vastgelopen is in een psychisch-lijden-lus eruit geraakt en opnieuw in beweging komt. Een groot voordeel van psychedelica is dat men ze eenmalig kan gebruiken, dat ze niet verslavend werken en dat ze minder schadelijk dan antidepressiva zijn. Dat een psychedelische sessie vaak in een groep gebeurt, versterkt de rituele verbondenheid tussen de deelnemers en begeleiders.
Vooraf dienen potentiële deelnemers over de risico’s geïnformeerd te worden en nadien dient een gerichte integratie te gebeuren. Deze wordt scheppend door de deelnemer en de begeleider gestuurd. Niet zoals bij een traditionele therapie, die veel te vaak door een alleswetende therapeut eenzijdig aangestuurd wordt.
In hoeverre denkt u dat cannabis een plaats in de ggz heeft?
Cannabis is geen psychedelicum in de zin dat men er een sterke ontstijging bij ervaart. Therapeutisch gebruik van cannabis is zeer prevalent in de ggz. Heel wat patiënten gebruiken het bij angst en depressie en zelfs bij psychose. Het probleem is dat ze het chronisch gaan gebruiken. Dat kan problematisch worden omdat het verslavender is dan psilocybine, de werkzame stof in sommige truffels of magic mushrooms.
